Opeens lag alle vrijetijdsbesteding stil … geen zangkoor, geen vrijwilligerswerk in het plaatselijke verpleeghuis, geen cursus. Op het eerste gezicht heel aanlokkelijk, al die avonden thuis. Meer tijd voor het gezin, meer tijd voor WhatsAppgesprekken, voor LinkedIn. 

En daar, op LinkedIn, kwam een bericht langs dat bleef haken: Mark Ruttes oproep ‘Blijf thuis’ was door de gemeente Utrecht omgezet in het uitbreiden van daklozenopvang zodat er geen daklozen op straat hoefden te blijven. Die uitbreiding betekende ook dat ze meer vrijwilligers nodig hadden bij mannenopvang, om ’s avonds te helpen met het verstrekken van koffie, thee en maaltijden. Ik was nieuwsgierig, liep een avond mee en leerde een nieuwe wereld kennen. 

Een oude school doet dienst als noodopvang. De receptie wordt bevrouwd door een aantal ervaren beveiligers die me, waarschijnlijk vanwege het ontbreken van piercings en tattoos, onmiddellijk te licht bevinden maar me het voordeel van de twijfel gunnen. Op de eerste verdieping zijn de slaapzalen, waarvan een grote slaapzaal met acht oude ijzeren stapelbedden en 0 privacy de opgewekte naam ‘Hilton-zaal’ draagt. Een andere zaal is gevuld met fitnessapparaten voor een stukje dagbesteding en fysieke ontspanning. 

Niet alleen verwaarloosde, oude mannen

In een afgesloten ruimte staan houten rekken waar de bezoekers hun bezittingen kunnen opslaan: vooral tassen, schoenen en dekens. Ik krijg, op weg naar de keuken, een map met namen en geboortedata van de vaste bezoekers mee, om aan te kunnen vinken wie er een maaltijd komt halen. Iets met garantstelling en daklozenuitkeringen, wordt me verteld, maar het administratieve oerwoud hierachter ontgaat me. Verbaasd zie ik dat sommige bezoekers dezelfde geboortejaren als mijn oudste twee zonen hebben: 1997 en 1999. Daklozen zijn dus niet alleen maar oude, verwaarloosde mannen.

Ik krijg een portofoon mee, sleutels van de keuken op zak en de instructie om de keukendeur telkens achter me op slot te doen. Om hem vervolgens weer ruimhartig open te doen voor een Ethiopische man, die graag in de keuken zijn overdag verzamelde groente en fruit wilde snijden voor de Iftar-maaltijd tijdens de Ramadan.  Ik word prompt uitgenodigd om bij hem en zijn eenbenige vriend aan te schuiven en ik geniet van de gesprekken in een mengeling van Engels en Nederlands, en van een paar stukken meloen. De bezoekers druppelen binnen. Elke bezoeker zit aan een eigen tafel, vaak verdiept in gedachten of in zijn smartphone. Een uitnodiging om een spel te doen wordt afgeslagen: ‘Ik ben te druk in mijn hoofd, joh.’ Maar een gesprekje is meestal welkom.

Verkeerde keuzes, verkeerde plantjes…

Na deze kennismaking ga ik om de week een avond helpen. Telkens werk ik samen met een andere vrijwilliger, vaak ervaringsdeskundigen. Nieuwsgierig bevragen we elkaar naar de motivatie om in de opvang als vrijwilliger te werken. Voor de andere vrijwilligers is het vaak een vorm van dagbesteding, of een opstapje naar betaald werk. Rob*, een vrijwilliger van midden vijftig, vertelt hoe hij het jarenlang prima voor elkaar had: een baan, een huis, een vrouw. ‘Tja, en toen werd mijn vrouw ziek. Ik heb haar helemaal verzorgd tot het eind toe. Ze overleed op 13 november om tien over half vijf. Ik was er kapot van. Daarna ging het niet meer goed: verkeerde keuzes gemaakt, verkeerde plantjes gekweekt…. Binnen een jaar was ik alles kwijt en stond ik op straat. Maar ik heb alle hulp aangepakt en nu heb ik weer een huisje. En ik mag hier 5 keer per week als vrijwilliger werken.’

Rob laat foto’s van zijn hond zien, vertelt honderduit en zo sluiten we vriendschap. Een andere avond werk ik samen met Matthijs, een jonge student. Als ik de keuken binnenloop draait hij net een pirouette en stopt meteen verlegen, maar vertelt desgevraagd dat hij graag wil kunnen dansen en het nu zichzelf probeert aan te leren. Hij zou eigenlijk een wereldreis gaan maken, maar nu hij niet kan reizen wil hij zijn vrije tijd nuttig besteden: ‘Ik merk hier hoe dankbaar ik mag zijn voor alles wat ik heb in mijn leven. Het is echt heel goed voor mij om hier te helpen.’  

Ontdooien bij zelfgebakken cake

Ik leer in de weken daarna de bezoekers een beetje kennen. Perry die zijn maaltijd nog even extra verhit wil hebben, en met zijn gitaar ook gezelligheid brengt. Ismail die vaak extra brood probeert te bietsen. Benny die altijd eerst een douche neemt en er tip-top uitziet. Een grote zwijgzame man die me alleen dreigend aankijkt als ik vriendelijk naar hem wil lachen. Maar allemaal ontdooien ze wanneer ik rondga met een schaal zelfgebakken cake. Dan lukt het om contact te krijgen, er wordt verteld hoe intensief het leven op straat is: constant opletten, nergens een plek voor jezelf. En altijd weer wordt gevraagd hoe ik in dit vrijwilligerswerk terecht ben gekomen. Ik begin door te krijgen waarom mensen zo nieuwsgierig zijn hoe ik daar verzeild kom: ik heb een baan, een huis, een gezin en een sociaal netwerk. Geen straatervaring, geen tattoos, geen financiële problemen, geen verslaving. Voor mij is mijn leven heel gewoon, voor hen voorlopig onbereikbaar.Het zijn twee werelden, en ik had nooit bedacht hoe hun wereld er uit ziet. Nooit gedacht dat ik het leuk zou vinden om voor deze mensen te werken, dat ik zo zou genieten van de korte ontmoetingen, de mooie gesprekjes, de harde grappen van de beveiligers. Maar ook: nooit gedacht dat ik het beschamend vind om aan het eind van de avond in mijn auto te stappen en in de navigatie als adres ‘Thuis’ in te tikken. Het heeft me weer een rijker mens gemaakt. Wat een zegen dat ik niet thuis ben gebleven!  

Een lid van De Fontein

*alle namen zijn om privacy redenen gefingeerd.

X